Toen we naar Australië kwamen, stond het bezoeken van de beroemde berg Uluru hoop op onze reislijst. Op 15 oktober was het dan eindelijk zover. We hadden een beetje pech in de aanloop naar het bezoek, maar het was het uiteindelijk helemaal waard.
Nadat we wegreden uit Alice Springs, was het nog zo’n vijfhonderd kilometer naar Uluru. Ik kan je wel vertellen dat zijn vijfhonderd lange kilometers. Er verandert weinig in het landschap dat je ziet. Onze zintuigen werden nog wel even geprikkeld bij het roadhouse waar we moesten tanken (de enige in een straal van zo’n vierhonderd kilometer) en we voor ruim twee dollar per liter Harrie vol hebben gegooid. ‘Only in the Outback’ zullen we maar zeggen.
De dag dat we aankwamen bij Uluru, of eigenlijk het natuurpark waar deze beroemde berg ligt, was ons niet goed gezind. Ten eerste hadden we te maken met een heuse zandstorm. Het waaide zo ontzettend hard, je kon eigenlijk niets buiten doen. En door die wind waaide al het zand natuurlijk op. Ik had zoiets nog nooit gezien, we konden met moeite tweehonderd meter vooruit kijken. De zon werd grotendeels verduisterd en dus was het redelijk donker en letterlijk overal kwam zand terecht.
In eerste instantie reden we wel richting het natuurpark omdat we dachten dat je gratis op een camping in het natuurpark kon verblijven. We kwamen er bij het kleine dorpje vlak voor het park achter dat dit helemaal niet kon en dat het voor ons dus niet zoveel zin had om nu al naar het Uluru te gaan. Het kost namelijk geld om naar het park op te gaan en het was al laat op de dag. We reden dus terug naar de gratis camping die we hadden gevonden en die op zo’n twintig kilometer afstand lag van het park. Daar aangekomen wilde Danny even de koelvloeistof checken (iets wat bij Harrie regelmatig moet). Hoewel hij altijd voorzichtig is met dit soort dingen, was hij nu iets te vroeg met checken. De vloeistof spoot letterlijk uit de motor en daardoor brandde Danny zich flink. Uiteindelijk zijn we zelfs nog even terug gereden naar het dorp in de hoop een dokter te treffen. Maar het was zondagavond en dus was alles of dicht of er was niemand. Uiteindelijk hebben we wat verkoelende crème gekocht en daarmee ging het gelukkig al een stuk beter. Al met al geen goed begin van ons bezoek aan Uluru.
De volgende dag begon al een stuk beter. De wind was gaan liggen, we konden om ons heen kijken en toen we even een kleine heuvel opliepen bij de campingspot bleek dat we vanuit daar al Uluru konden zien liggen. Vol goede moed reden we naar het natuurpark om dan eindelijk Uluru van dichtbij te zien. Nadat we voor onze drie dagen pas hadden betaald reden we eerst naar het bezoekerscentrum. Hier vind je allerlei informatie over Uluru, over de betekenis van deze berg voor de Aboriginals en over de jarenlange strijd die ze hebben gestreden om weer zelf de baas te worden over dit, voor hun, heilige land. Ook was er een klein museum met allerlei Aboriginal kunst en er was een werkplaats waar een vaste groep kunstenaars elke dag zit te werken. Er hing een bord voor de deur dat je gerust mocht kijken, maar met de vraag of je de mensen die zaten te werken met rust wilde laten. Toen wij er waren was er een vrouw aan het schilderen en verschillende bezoekers konden het toch niet laten om haar allerlei vragen te stellen of (mijninziens) irritant dicht over haar schouder naar haar werk gingen kijken.
Daarna was het tijd om Uluru echt van dichtbij te bekijken. Het is een machtige berg en rondom de berg lopen verschillende looproutes. Die van tien kilometer hebben we maar niet gedaan, maar we besloten een kortere te doen die je veel vertelde over het leven van de Aboriginal stammen die hier honderden jaren leefde. Op veel plekken zag je ook muur schilderingen en het was echt een mooie en informatieve route.
Naast al de routes om Uluru heen, kun je ook de berg beklimmen. Er staat echter overal dat dit tegen de wensen van de Aboriginals in is. Niet alleen is dit voor hen een heilige plek en is de beklimming in hun cultuur alleen bedoelt voor priesters die op die manier dichterbij de goden waren, maar het is ook gewoon heel gevaarlijk om Uluru te beklimmen. Er overlijden jaarlijks nog steeds mensen doordat ze ongeoefend of onwetend de berg beklimmen. Het is ook een bizar stijle tocht en veel mensen moesten terug door te zitten en met hun billen als het waren van de steen te glijden omdat het zo stijl is. Ik vond het gewoon stom dat zoveel mensen als nog die berg beklimmen, terwijl er op zoveel plekken gevraagd wordt het niet te doen. Dit is nog een erfenis van de jaren dat Uluru niet in handen was van de Aborginials maar gewoon een natuurpark was van witte Australiërs en beroemd werd onder bergbeklimmers en andere sportievelingen. Elke Australiër (let wel niet de Aboriginals) hoorde ten minste een keer de berg te beklimmen. Inmiddels wordt het dus afgeraden en we lazen op een bord voor de route omhoog dat er plannen zijn om binnen een aantal jaar de hele route te sluiten. Niet alleen omdat het tegen de wensen van de Aboriginals is, maar ook omdat het dus zo gevaarlijk is.
Goed genoeg over dat stuk, wij reden vrolijk met Harrie nog een rondje om Uluru en besloten toen ook een bezoekje te brengen aan de andere berg/rotsformatie die het natuurpark rijk is. Want hoewel Uluru de bekendste berg is, is er nog een berg vlakbij die ook een belangrijke plek voor Aborginials is en die ook nog vele jaren ouder is namelijk Kata Tjupa. Hoewel Uluru een massief stuk steen is, zag je hier meer openingen en dat de steen door de wind op veel plekken was afgebroken. Hier liepen we een soort groef in die was ontstaan. We liepen achter een tourgroep aan en hoorde daardoor een beetje van hun verhaal. De tourguide wees op een stenenformatie die je in de verte kon zien en vertelde doodleuk dat die stenen/berg helemaal in West Australië lag, op wel vierhonderd kilometer afstand van waar wij nu stonden. Dat geeft misschien wel de leegheid van centraal Australië aan. Je kon dus van een bepaalde hoogte, vierhonderd kilometer ver kijken.
Na onze wandeling gingen we weer terug naar Uluru om daar alvast een mooi plekje te vinden voor de zonsondergang. We waren mooi op tijd en parkeerde Harrie op het perfecte plekje. Danny besloot ook om lekker te gaan koken en ik zat boven op Harrie te genieten van het uitzicht. Ik denk dat we tijdens ons avondeten een van de mooiste uitzichten ooit hadden. Het werd helaas wel een stuk drukker naarmate de zon verder onderging en al die mensen wilde een mooie foto van Uluru. Er waren veel mensen die hetzelfde idee hadden als Danny en ik en dus met stoelen en hapjes van het uitzicht genoten.
Nadat de zon onder was reden we weg uit het park en parkeerde we Harrie op dezelfde campingspot. Daar probeerde we nog om een mooie foto van Harrie te maken met de sterrenhemel, maar dat lukte helaas niet. Het was al snel tijd om naar bed te gaan want de volgende ochtend moesten we al om vijf uur opstaan om de zonsopgang bij Uluru te zien. Wij waren de enige op de camping die zo vroeg vertrokken, dus dan denk je: wow dit wordt een ervaring die je maar met een paar mensen deelt. Maar eenmaal aangekomen bij de sunrise parkeerplaats bleek dat we iets te vroeg hadden gejuicht. Het hele platform stond vol mensen die allemaal hun telefoon/camera/ipad/GoPro omhoog hielde en wachtte tot de eerste zonnestralen Uluru zouden raken. Het was dan ook even moeilijk om een goede spot te vinden en vooral omdat iedereen het belangrijk vond om een mooie foto met zichzelf en Uluru te nemen en dus de hele tijd in de weg stond.
Uiteindelijk kwam de zon echt op en kregen we zelfs de kans om wat mooie plaatjes te schieten en te genieten van dit bijzondere moment. Veel van dit soort momenten of bezoekjes zijn toch minder bijzonder als je verwacht of vallen een beetje tegen. Maar dit bezoek aan Uluru maakte onze verwachtingen echt duizend procent waar. Het was een heel magisch gevoel om op deze bijzondere plek te zijn en dit te kunnen en mogen bezoeken.
Nadat we de zon hadden zien opkomen bij Uluru besloten we naar onze volgende bestemming te rijden, de Kings Canyon. Dat is op zo’n vijfhonderd kilometer afstand van Uluru. De route beschrijving is best simpel: rij 300 kilometer rechtdoor vanuit Uluru en sla dan links af om vervolgens nog tweehonderd kilometer te rijden. Daar aangekomen was het tijd om eerst even een middagdutje te doen op de vreemdste campingspot die we tot dan toe hebben gehad. Het was gewoon een stuk gravel naast de weg en in het midden lag onder een hoop zeil een dood paard. Danny moest Harrie van mij op zo’n manier parkeren dat ik het paard niet kon zien want ik kon de aanblik niet echt aan.
Die middag zijn we gaan wandelen door de Kings Canyon. Dit is minder bekend dan Uluru maar vanwege zijn ligging gaan veel mensen ook daar even een kijkje nemen. Opnieuw konden we verschillende routes kiezen om de Canyon beter te bekijken, maar omdat we al de hele dag onderweg waren geweest en het de temperatuur toch zeker de 35 graden aan tikte besloten we de makkelijkste route te nemen. Die voerde ons dwars door de Canyon. Omdat dit wel een heel korte route was, klommen we ook nog even de Canyon op via een uitgehouwen trap. Vanuit daar hadden we een mooi uitzicht over de Canyon en over de rest van de omgeving.
Na al deze indrukken was het tijd om verder te reizen. Na ongeveer een maand verlieten we het Northern Territory en reden zo South Australia in.