Na een paar fijne dagen in Cairns was het weer tijd om terug aan het werk te gaan. Voor een muziekfestival moesten we vanuit Mount Isa helemaal naar Birdsville rijden, een rit van zo’n 685 kilometer door niemandsland.
Voordat ik in Australië was probeerde ik me vaak in te beelden hoe het zou zijn om door de Outback te rijden en urenlang niemand tegen te komen. Maar niks kan je echt voorbereiden op de grote leegte die het binnenland van Australië heeft. Als je het niet met eigen ogen ziet kan je, je niet inbeeldde hoe dat is. Goed je kunt een poging doen, maar dan zou je moeten denken aan een rit van Amsterdam tot ongeveer Parijs (eigenlijk nog verder dan Parijs) waar je niks anders ziet dan bomen, en vlakke landschappen. Als je pech hebt kom je per uur gemiddeld drie auto’s tegen. En met niks bedoel ik echt niks, geen tankstation, geen verdwaald dorp: alleen dode kangoeroes naast de weg en af en toe een kudde koeien. Ergens in dat niemandsland staan wel wat boerderijen, maar die liggen niet naast de weg, ze liggen ver in het land verborgen.
Vanuit Mount Isa reden we naar de eerste stopplek, wat Dajarra was. Dajarra was tevens ook het eerste dorpje dat na Mount Isa kwam. Het lag zo’n 185 kilometer verderop. Dit stuk was nog best te doen omdat er rond Mount Isa veel bergen en veel groen ligt. En dus is het niet alleen maar vlak land. Dajarra is een dorp met hoogstens twintig huizen (het kan dat ik hier al enorm overdrijf) en de benzinepomp a.k.a Roadhouse vormt het hart van het dorp. Voor de mensen die in Dajarra wonen is het Roadhouse ook de plaatselijke supermarkt (en ze hebben maar drie schappen en een kilo suiker kost 5 dollar) het is de plaatselijke pub en de enige plek waar mensen naar toe kunnen als ze uit willen eten. Voordat je goed en wel het dorp hebt opgemerkt ben je er eigenlijk alweer uit gereden.

Daarna reden we door naar Boulia, dat weer zo’n 170 kilometer verderop ligt. Naast de hoofdweg naar Birdsville kom ik niet veel andere wegen tegen. In die hele 685 kilometer ben ik maar liefst twee keer afgeslagen en een keer daarvan was omdat de weg op een t-splitsing liep. Boulia zelf is wel weer een stuk groter dan Dajarra (lees: hier zijn toch zeker zo’n veertig of misschien wel vijftig huizen te vinden). Er is een postkantoor (het symbool van een echt dorp in Australië), een echte pub en een heus politiekantoor, met één politieagent in dienst. Na een korte lunch bij het benzinestation gaan we verder.
Het nadeel van deze grote leegte is dat er ook niet keurig om de 100 kilometer wc’s zijn. De rit van Boulia naar Bedourie duurt zo’n 190 kilometer en ik ben dan ook genoodzaakt om in de berm te stoppen omdat ik het echt niet meer houd. Ik besluit even te blijven staan en de niksigheid in me op te nemen. Om me heen zie ik kilometers aan zand, harde uitgedroogde grond, hier en daar een boompje en soms een struik. In de verte kan ik vaag een berg zien. Naast dode kangoeroes en koeien kom ik ook verschillende vogels tegen, die alles behalve bang zijn voor auto’s of mensen. Sommige vogels zijn enorm en hebben een spanwijdte van toch zeker zo’n 1,5 meter. Het is bizar om zulke machtige vogels van heel dichtbij te kunnen zien. Helaas heb ik geen foto kunnen maken.
Eenmaal in Bedourie aangekomen vertelt Lynne me tot mijn grote vreugde dat we die nacht daar zullen overnachten. De weg tussen Bedourie en Birdsville is nog zo’n 190 kilometer lang, waarvan zo’n zestig kilometer onverhard is. Omdat het al vier uur ’s middags is, hebben Lynne en Rixie besloten om het hierbij te laten vandaag. Voor mij zeker geen straf, want Bedourie heeft hotsprings waar ik gratis gebruik van kan maken. Naast die hotsprings is er in Bedourie niet zo veel te beleven. Het is ongeveer even groot als Boulia met als enige verschil dat het een school heeft met drie klaslokalen. Tijdens zonsondergang besluit ik naar de hotsprings te gaan, waar op dat moment niemand meer is wat aanvoelt als een echte luxe. Het zijn ‘man-made’ springs. Dat betekent dat mensen zelf de baden hebben gemaakt, maar het water komt hier wel in de buurt naar boven. Er is een klein bad dat veertig graden is en daar plons ik als eerste in. Het is behoorlijk heet, maar ook fijn en ontspannend. Ik hou nog gezellig een fotoshoot met mezelf (nu ik niet meer mijn eigen professionele fotograaf Danny bij me heb, probeer ik er zelf maar iets van te maken) en geniet van de rust om me heen. Daarna koel ik nog even af in het grote zwembad, dat is ‘maar’ 28 graden. Het is heerlijk om in mijn eentje rond te dobberen en naar de sterren te kijken. Op dat moment besef ik me echt hoe bevoorrecht ik ben dat ik deze reis gewoon kan maken en dit soort dingen kan meemaken.
De volgende dag volgt het laatste stuk naar Birdsville. Na zo’n vijftig kilometer gewone weg, gaat de weg over in gravel. Waarom weet ik niet precies. In Australië en zeker in de Outback overkomt je dit heel vaak. Op dat moment weet ik het nog niet, maar ik bevind me nu al in de voorlopers van de Simpson Desert. Dat betekent dat de begroeiing zienderogen terug loopt en het landschap steeds kaler en rotsachtiger wordt. Uiteindelijk komen we na zo’n vier uur rijden eindelijk aan in Birdsville. Door de gravelwegen moesten we extra voorzichtig en langzaam rijden, waardoor we bizar lang hebben gedaan over het laatste stuk. Birdsville is niet groter, het is een dorp met ik denk zo’n 100 inwoners en misschien overdrijf ik opnieuw. Er is wel een bekende bakkerij en een groot informatiecentrum. Ik ben blij dat de reis eindelijk klaar is, want het was me het avontuur wel. Tijd voor een meatpie bij de bakkerij!