Tussen onze trip naar Fraser Island en ons weekje natuur, hebben we een hele tijd rond Noosa rond getrokken. We trokken ook nog het binnenland in, omdat het weer eventjes tegen zat.
Na ons weekje in de natuur, vertrokken we weer richting de kust. Hervey Bay was de bestemming. Dat is de kustplaats waar Danny vijf jaar geleden naar Fraser Island vertrok. We maakte een wandeling over het strand, maar het stadje zelf leek een beetje ingeslapen. Omdat het weer de volgende dagen ook slechter zou worden, besloten we opnieuw landinwaarts te rijden. We reden naar Ban Ban Springs, dat is een ‘dorp’ waar niemand woont. Er staat alleen een benzinepomp met een motel. Dat is letterlijk het enige wat er is. Toch kan je tegenover de pomp op een gratis camping staan. De omgeving van Ban Ban Springs doet heel wilde westen achtig aan. Het was tof om daar een paar dagen doorheen te trekken. We trekken een paar dagen van dorp naar dorp, maar omdat we geen echt idee hebben wat daar te doen resulteert het al snel in hele middagen in en om de bus hangen. Dat is een paar dagen leuk, maar na een tijd hebben we toch echt weer zin om iets te ondernemen.
Gelukkig helpt het weer ons een beetje, want aan de kust is het weer ook opgeklaard en dus gaan we weer richting de zee. Eerst naar Tin Can Bay. Dat zou een hele goede spot zijn om dolfijnen te kunnen zien. We komen alleen rond het middag uur aan, als het eb is en een groot deel van waar normaal zee is nu droog ligt (denk aan de wadden). De dolfijnen blijken vooral ’s ochtends te komen. Nou ja, ook zonder dolfijnen is het leuk. We maken een wandeling over het droge stuk. Overal staan mensen te vissen en we zien een paar Aussie’s bizar grote vissen vangen. Even verder komen we een soort volksverhuizing van krabben tegen. Zo lijkt het althans. Uit het drassige zand komen honderden piep kleine krabbetjes gekropen. Als je te dichtbij hen komt graven ze zich snel in, maar over het hele strand zien we een grote wolk aan krabben lopen. Het is een grappig gezicht.
’s Middags gaan we naar Rainbow Beach, een klein dorpje vlakbij Fraser Island. Het dankt zijn naam aan het gekleurde zand dat de kliffen licht rood kleurt. Het is een beetje lastig om op het strand te komen omdat een paar toegangswegen afgesloten zijn, maar uiteindelijk komen we er. De kliffen zijn prachtig en doordat we een heel stuk van de boulevard en het normale strand af lopen zijn we bijna helemaal alleen op het strand. Danny probeert ook nog of hij een van de kliffen kan beklimmen, maar dat blijkt lastiger te zijn dan hij denkt. Op ongeveer een vijfde van de weg (zelf denkt hij dat hij al op de helft is) geeft hij het op.
Bij Rainbow Beach kan je ook aan het strand slapen met je bus, op speciale campings. We hebben dan wel geen 4w drive, maar als we aan het begin van de camping blijven zou het moeten gaan. We proberen tussen twee bomen te parkeren, maar daar kan de bus niet echt recht staan. Op het moment dat we naar een plekje vijf meter verder willen rijden, blijkt dat een 4w drive toch wel handig was geweest. Binnen enkele seconde zit onze lieve Harrie muurvast. We proberen hem uit te graven, maar niks helpt. Gelukkig staan er om ons heen zat mensen met een 4w drive en onze buurman biedt aan om ons los te trekken. Snel zetten we Harrie op een plekje met gras zodat we niet weer vast komen te zitten. Als we daarna een wandeling over het strand maken zien we dat veel mensen met hun tent echt op het strand kamperen. Bij onze campinguitrusting zit ook een tent. Voor Danny is het duidelijk: dit moeten we doen. En dus sjouwen we de tent, onze stoelen en tafel en ons kookgerei naar het strand om daar een klein kampje op te zetten. We hebben een heerlijke avond waarin we samen in de hangmat naar de sterren kijken, dansen op het strand in onze maan schaduw en naar het onweer kijken dat vele kilometers achter ons te zien is. We brengen helaas niet de hele nacht door op het strand. De regen en onze toch niet super waterdichte tent maken midden in de nacht een einde aan ons avontuur. Gelukkig kunnen we vluchten naar Harrie.
Na die drukke nacht, rijden we de volgende dag naar Noosa. Het is mega druk in de stad omdat het Anzac is, een soort doden herdenking. We proberen met alle macht een parkeerplekje te vinden, maar het lukt voor geen meter. Pas na een half uur zoeken (en zo’n veertig rondjes door het kleine stadscentrum) hebben we een plekje gevonden. Het is al wat later in de middag, maar de zon staat nog vrolijk te schijnen en dus rennen we nog even de zee in om te zwemmen. Het strand in Noosa is druk, maar de golven zijn in de zee niet zo hoog en je ziet vissen van dichtbij voorbij zwemmen. Naast het strand is Noosa sowieso een leuke stad. Het heeft veel restaurants en barren met terrassen en er hangt een gemoedelijke sfeer. ’s Avonds gaan we naar de bioscoop om de dag fijn af te sluiten.